Jaarverslag 2013

Cijfers

7 Productiviteitsontwikkeling

7.1 Personeelsomvang, kosten en productiviteit

De volgende tabel laat zien hoe de gemiddelde personele bezetting en het volume afgehandelde zaken zich sinds 2007 hebben ontwikkeld. Het zaaksvolume is gewogen met behulp van vastgestelde prijzen, waardoor veranderingen in de zaakssamenstelling worden meegewogen. De gemiddelde bezetting betreft voltijdbanen (fte) en is berekend door het gemiddelde te nemen van de personeelsomvang op 31 december van het voorliggende en de personeelsomvang op 31 december van het lopende jaar. Voor deze gebruikte ultimo-cijfers en aantallen personen, zie tabellen 23 en verder.

De gemiddelde personele omvang (fte) was in 2013 min of meer gelijk aan die in 2012. Het volume afgedane zaken was ook nagenoeg constant. Daarmee is het zaaksvolume per arbeidsjaar (arbeidsproductiviteit) van 2013 vergelijkbaar met dat in 2012. De arbeidsproductiviteit was iets groter geweest, indien er geen productieverlies was geweest ten gevolge van de reorganisatie in verband met de herziening gerechtelijke kaart.

In de periode 2007 t/m 2013 is de gemiddelde personele omvang (fte) eerst toegenomen en daarna weer gedaald tot het niveau van 2007. Het zaaksvolume is in die tijd met 7% toegenomen. Dit betekent dat de arbeidsproductiviteit sinds 2007 met 6% is toegenomen. Die toename vond vooral plaats in de jaren 2010 en 2011.

Het aantal rechters en raadsheren is sinds 2007 met 4% toegenomen, terwijl de bezetting (administratieve en juridische) ondersteuning ongeveer gelijk bleef (-1%). Anders gezegd, het aandeel rechters en raadsheren nam in de periode 2007-2013 toe.

De instroom aan zaken bij de rechtspraak is in vergelijking met 2010 afgenomen (zie tabel 1). Deze tabel laat zien dat de werklast die gemoeid is met het afhandelen van zaken in diezelfde tijd stabiel is gebleven.

Tabel 6: index personele bezetting, gewogen zaaksvolume en arbeidsproductiviteit Rechtspraak (2007 = 100)
  2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 groei 2013 (%)
Gemiddelde bezetting rechters en raadsheren 100 102 104 107 107 105 104 -1%
Gemiddelde bezetting ondersteuning 100 102 103 104 102 99 99 0%
Gemiddelde bezetting totaal 100 102 104 105 103 100 100 0%
Gewogen zaaksvolume 100 100 104 108 110 108 107 -1%
Zaaksvolume per arbeidsjaar: arbeidsproductiviteit 100 98 101 103 106 107 106 -1%
 

De volgende tabel geeft een beeld van de kostenontwikkeling, gecorrigeerd voor inflatie van lonen en prijzen bij de overheid.

De totale kosten die de Rechtspraak heeft gemaakt, gecorrigeerd voor inflatie, zijn in 2013 gestegen met 4%. De personele en exploitatiekosten namen toe onder andere door de volledige toerekening van OM-personeel (zie ook [11B] in de jaarrekening), de huisvestingskosten namen onder andere toe door een voorziening in verband met nieuwbouw Amsterdam en de stelselherziening rijkshuisvesting (zie onder andere [15]). Aan­gezien de gewogen productie nagenoeg gelijk is gebleven, terwijl de kosten toenamen, zijn de kosten voor een vergelijkbare hoeveelheid zaken in 2013 toegenomen, en wel met 5%.

Over de gehele periode 2007 t/m 2013 zijn de reële kosten voor de Rechtspraak toegenomen met 8%. Het (gewogen) zaaksvolume nam vergelijkbaar toe (7%). Dit betekent dat de kosten voor een vergelijkbare zaak in 2013 vergelijkbaar zijn met die in 2007.

In de periode 2007 t/m 2013 namen de reële personele kosten toe (onder andere vanwege een groter aandeel rechters en raadsheren) en de overige kosten af. Voor wat betreft die overige kosten namen de huisvestingskosten toe, maar de andere kosten, bijvoorbeeld voor IT, namen af.

Tabel 7: index reële 1 kosten en zaaksvolume per ingezette euro bij de Rechtspraak (2007 = 100)
  2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 groei 2013 (%)
Personele kosten 100 101 106 113 114 110 113 2%
Overige (materiële) kosten 100 92 94 90 87 89 97 9%
Totale kosten 100 98 102 106 106 104 108 4%
Gewogen zaaksvolume 100 100 104 108 110 108 107 -1%
Zaaksvolume per ingezette euro: kostenproductiviteit 100 102 102 101 104 104 99 -5%

a Indexcijfers kunnen afwijken van eerdere jaarverslagen. Dit vanwege het gebruik van de meest recente inflatiecorrectoren. Deze zijn door het CPB met terugwerkende kracht gewijzigd.

In de volgende figuur zijn de ontwikkelingen op het gebied van het aantal zaken, personele omvang en kosten voor een langere periode te zien: 2002-2013.

• Het gewogen zaaksvolume vertoonde in deze periode een golvende beweging met een opwaartse trend: in 2013 was het zaaksvolume bijna 20% groter dan in 2002.

• De personeelsomvang is sinds 2002 toegenomen met circa 14% en bewoog in grote lijnen mee met het zaaksvolume. De arbeidsproductiviteit is toegenomen tot ongeveer 5% boven het niveau van 2002.

• De totale reële kosten voor de Rechtspraak zijn vanaf 2002 toegenomen met circa 19%, vergelijkbaar met de ontwikkeling van het gewogen zaaksvolume in die periode. Per saldo zijn de kosten voor de afhandeling van een vergelijkbare hoeveelheid zaken in 2013 weer op het niveau van 2002. Met andere woorden: de kostenproductiviteit is in 2013 gelijk aan 2002.

In de gebruikte cijfers voor het zaaksvolume blijft een aantal ontwikkelingen die de behandeling van rechtszaken bewerkelijker maken, buiten beeld. Zo is de belasting voor rechters en raadsheren toegenomen om de kwaliteit van het rechtspreken te borgen en te verbeteren. Te denken valt aan de explicietere en betere motivering in strafvonnissen.

Ook is het toegenomen beslag van de behandeling van megazaken op de capaciteit niet in de ontwikkeling van het zaaksvolume terug te vinden. Er zijn daarnaast signalen dat de omvang van de processtukken die gelezen moeten worden, is toegenomen.

Veranderingen in de houding van procespartijen en hun vertegenwoordigers en de invloed daarvan op de werklast is evenmin goed in beeld te brengen. Ook is als gevolg van invoering van de OM-strafbeschikking een sterkere selectie van strafzaken ontstaan, waardoor de gemiddeld arbeidsintensievere zaken overblijven, voordat deze bij de rechter komen. De Raad schat dat daarmee zeker 4% tot 5% van de werklasttoename sinds 2005 buiten beeld blijft.

1Voor de meerjarenvergelijking zijn de nominale bedragen gecorrigeerd voor ontwikkelingen in het prijspeil. Hiervoor zijn cijfers van het Centraal Planbureau (CPB) gebruikt. Voor de personele kosten is gebruik gemaakt van de loonvoet voor de sector overheid (inflatie van 0,75% in 2013). Voor de materiële kosten is de prijs ‘intermediair verbruik overheid’ gebruikt als deflator (inflatie van 1,50% in 2013).